De voornaamste bevrediging van de jacht is het vangen, het verwerven van voedsel dus, en niet het doden. Het beste is dit te begrijpen bij een visser: het aanslaan en binnenhalen van een vis geeft de grote kick. Als je de vis wilt eten, zul je hem moeten doden. Dit laatste geeft normaal geen kick, wordt zelfs vaak met wat weerzin gedaan. Visser zowel als jager voelt zich sterk verbonden met de natuur, waar hij door zijn vaardigheid zijn buit weet te verschalken. Overigens: als het om het doden zou gaan, zou hij dan niet beter in een slachterij gaan werken?

Zet een hert en een paar wilde zwijnen in een omrastering van 20x20 meter en nodig de jagers uit om ze voor hun plezier te komen schieten. Geen jager zal zich hiervoor lenen, omdat jagen iets anders is dan slachten.

Niettemin is doden weldegelijk deel van het jagersbedrijf, zonder dat de jager daarvoor een op bloed belust monster moet zijn. Dit facet wordt goed onder woorden gebracht door Pauline de Bok.

Niettemin zullen meerdere mensen de jager als moordlusig blijven zien. Het zij zo. Maar voor het dier maakt het geen verschil of hij met plezier of met weerzin gedood wordt.

Zouden al die mensen die een paar keer per jaar naar zee gaan in de hoop met een maaltje tong of wijting thuis te komen, werkelijk zo genieten van het doodslaan van de vis?